Het recht is per definitie een nogal statisch en rigide fenomeen. En dat is maar goed ook. Rechtsregels vormen een neerslag van hetgeen naar bestendige en algemene maatschappelijke opvattingen als gangbaar en betamelijk wordt beschouwd. Die opvattingen plegen niet afhankelijk te zijn van de waan van de dag. Dat betekent dat een wet meestal niet zomaar van de ene op de andere dag uit de lucht komt vallen, maar de neerslag vormt van een codificatieproces dat soms al eeuwen geleden is gestart. En is een wet er eenmaal, dan ruim je die niet zomaar uit de weg.

Op zich kan dit worden toegejuicht. Toch is het soms onbegrijpelijk dat bepaalde fossiele instituten de eeuwen blijven trotseren, ook al is de bestaansgrond al lang verdwenen. Zo heb ik nooit kunnen begrijpen waarom de beëindiging van een huwelijk een ingewikkeld en kostbaar ritueel moet vergen. Als je het liefste meisje van de dansles hebt weten te behagen en de zoen is vergund, dan stap je zo naar de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Zonder noemenswaardige plichtplegingen wordt het boterbriefje geregeld, ook al kunnen hierbij de meest ingrijpende vermogensrechtelijke en andere consequenties in het leven worden geroepen.

Maar als de liefde is bekoeld zijn de echtelieden nog zomaar niet van elkaar af. Wie echtscheiding wenst is verplicht om naar een advocaat te gaan. Een procedure voor de rechtbank is, even afgezien van de route van de zogenaamde ‘flitsscheiding‘, wettelijk voorgeschreven. Vóór 1971 kon de rechter slechts in een zeer beperkt aantal gevallen de echtscheiding uitspreken. Er moest bijvoorbeeld sprake zijn van mishandeling, overspel of kwaadwillige verlating. Dat waren de jaren van de zogenaamde ‘grote leugen’. De eisende partij vorderde echtscheiding op grond van overspel en de gedaagde erkende deze grond, ook al was daarvan helemaal geen sprake. En ook toen eenmaal ‘duurzame ontwrichting’ van het huwelijk was ingevoerd als (enige) grond voor echtscheiding was het nog jarenlang noodzakelijk dat de echtelieden de vernederende gang maakten naar de zogenaamde verzoenkamer. Daar ging een rechter plompverloren zitten wroeten in het privé-domein van de echtelieden. Bespeurde de rechter enige terughoudendheid, dan besliste hij doodgemoedereerd dat de zaak voor een half jaar werd aangehouden.

Wet en rechter hebben zich tot dusver steeds nogal intensief bezig gehouden met private huwelijkssores. Het effect was voornamelijk dat het scheidingsproces nodeloos werd gecompliceerd en onnodig kostbaar werd. Ongetwijfeld zal dit veel of alles te maken hebben gehad met de omstandigheid dat in de confessioneel getinte politiek het huwelijk en het gezin als de ‘hoeksteen van de samenleving’ werden gezien. Wat God had verbonden mocht door de mens niet worden gescheiden. Bijkomend voordeel was dat de rechter zo nodig de zwakste en misdeelde partij de hand boven het hoofd kon houden.

Men zou zeggen dat, als je samen kunt besluiten om te trouwen en kinderen te krijgen, je ook zelf zou moeten kunnen bepalen dat je uiteengaat en de zorg voor de kinderen regelt. Daar zou geen verplichte gang via de rechter voor nodig moeten zijn. Intussen is de werkdruk voor de rechterlijke macht zo opgelopen en stijgt het aantal gerechtelijke procedures jaarlijks zozeer, dat de wal het schip een keer zal moeten keren. De begroting van justitie wordt voor een onevenredig deel in beslag genomen door de kosten van rechtspleging en rechtshulp op het gebied van het familierecht. Rechters en advocaten hebben eigenlijk wel wat beters te doen dan, gechargeerd gezegd, lijstjes over te tikken wie de hond krijgt en wie de televisie.

De verantwoordelijkheid voor huwelijk en scheiding ligt evenals de zorg voor de kinderen bij de ouders. De overheid heeft hier alleen maar de taak om faciliteiten te creëren die leiden tot een rechterlijke beslissing als de (ex-)echtelieden er zelf niet uit komen.

Het is onbegrijpelijk dat het zolang heeft geduurd voordat een wetsontwerp ter tafel is gekomen dat is gebaseerd op deze gedachten. Het is ook merkwaardig dat het huidige kabinet op de meest onmogelijke plaatsen probeert te beknibbelen, maar deze nodeloze kostenverspilling over het hoofd ziet. Het dezer dagen ingediende wetsontwerp is een initiatief van kamerlid Luchtenveld die de mogelijkheid wil introduceren van beëindiging van het huwelijk met wederzijds goedvinden. Hiertoe kunnen partijen zelf een overeenkomst sluiten. Als dat is gebeurd kan een verklaring worden opgemaakt door een notaris, advocaat of scheidingsbemiddelaar, waaruit blijkt dat de gevolgen van de scheiding onderling zijn geregeld. Die verklaring kan eenvoudig worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en daarmee is de scheiding een feit. Als er kinderen zijn moet de overeenkomst een ouderschapsplan bevatten. Daarin moeten zaken als gezag, opvoeding, zorg en de omgangsregeling zijn geregeld, alsook de kosten daarvan. Uiteraard moeten ook onderwerpen geregeld zijn als alimentatie, de woning, verdeling van de gemeenschap, de eventuele verrekening die is bepaald bij huwelijksvoorwaarden, pensioenverevening en dergelijke.

De zogenaamde flitsscheiding wordt hiermee overbodig. Alleen als het echt niet anders kan mogen partijen terecht bij de rechter, bijvoorbeeld als zij een beslissing nodig hebben die moet kunnen worden geëxecuteerd.

Het is de hoogste tijd dat de echtscheiding wordt gedejuridiseerd. Ongetwijfeld zullen veel advocaten met lede ogen (moeten) toezien dat zij een grote omzet moeten missen die op de automatische piloot kon worden gerealiseerd. Daar staat tegenover dat eindelijk moet worden aangesloten bij de maatschappelijke realiteit dat echtgenoten primair zelf verantwoordelijkheid moeten dragen voor hun particuliere sores.

Bijkomend voordeel is dat werkdruk voor de rechterlijke macht flink zal afnemen. En de advocaten kunnen zich wijden aan het echte juridische werk waarop hun studie ook gericht was.

Mr. Willem van de Kam is advocaat en procureur in Boxmeer en tevens rechter-plaatsvervanger.

Bron: 26-08-2004 De Gelderlander