Op 18 maart jl. is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel herziening kinderalimentatiestelsel ingediend. De bedoeling is dat een kinderalimentatie voortaan forfaitair wordt vastgesteld, dat wil zeggen aan de hand van een tabel die bij algemene maatregel van bestuur wordt neergelegd. Het Landelijke Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) moet de kinderalimentatie gaan vaststellen.

Aanleiding voor het wetsvoorstel was het Interdepartementaal beleidsonderzoek alimentatiebeleid (IBO), waarvan het eindrapport op 12 juni 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Sylvia Wortmann schreef hier al eerder over in Perspectief (nr. 5, juli 2002). Uit het IBO-rapport bleek – kort gezegd – dat het bestaande kinderalimentatiestelsel vaak resulteert in onevenredige financiële lasten voor de verzorgende ouder (meestal vrouw) na een echtscheiding of beëindiging van een relatie. Doordat alleenstaande ouders geen kinderalimentatie ontvangen of vragen, doen zij vaker een beroep op de bijstand dan noodzakelijk zou zijn bij een gelijkere verdeling van de lasten na de scheiding. In lijn met de voorstellen uit het IBO-rapport maakt het wetsontwerp de kinderalimentatie voortaan niet meer afhankelijk van de individuele behoefte van het kind en de individuele draagkracht van de ouders. In plaats daarvan wordt de kinderalimentatie in het nieuwe stelsel berekend aan de hand van een forfaitaire tabel, die wordt neergelegd in een algemene maatregel van bestuur. Verder wordt het LBIO belast met het vaststellen van de kinderalimentatie. Voorwaarde is wel dat de alimentatieplichtige en de alimentatiegerechtigde beiden in Nederland wonen. In die gevallen waarin er een rechterlijke procedure loopt over een scheiding (van tafel en bed) of het gezag over een kind, kan de rechter worden gevraagd de kinderalimentatie vast te stellen. De inningstaken van het LBIO blijven ongewijzigd.

Voorrang voor kinderen

Op basis van bovengenoemde tabel kunnen de ouders onderling, de rechter of het LBIO op eenvoudige wijze vaststellen welk bedrag een alimentatieplichtige ouder per maand verschuldigd is. De bedragen zijn gebaseerd op onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Uit dit CBS-onderzoek komt namelijk naar voren dat bij een bepaald inkomen en een bepaald aantal kinderen ouders een bepaald percentage van hun inkomen aan de kinderen besteden. Op deze manier is in het nieuwe stelsel – impliciet – nog rekening gehouden met de draagkracht van de ouders. De memorie van toelichting spreekt de verwachting uit dat er in meer gevallen dan nu een kinderalimentatie wordt vastgesteld, omdat andere verplichtingen geen voorrang meer zullen hebben op de verplichting ten opzichte van de kinderen. Ook wordt verwacht dat het nieuwe stelsel door zijn helderheid zal leiden tot minder spanningen tussen de ouders. Immers, de individuele beschikbare draagkracht speelt in principe geen rol meer en er hoeft niet meer met allerlei aftrekposten rekening gehouden te worden. Hierdoor zal er minder aanleiding voor discussie zijn en zullen ouders veel beter in staat zijn zelf afspraken te maken over de kinderalimentatie.

Hardheids- en wijzigingsclausule

Het vastgestelde alimentatiebedrag wordt – net als nu – jaarlijks van rechtswege geïndexeerd met een door de minister van Justitie vast te stellen percentage. De forfaitaire vaststelling vindt eenmalig plaats. Om in individuele gevallen een onevenredig bedrag te kunnen corrigeren, zijn in de wet een hardheids- en een wijzigingsclausule opgenomen. Afwijking van de tabel op grond van de hardheidsclausule is alleen mogelijk als toepassing van de tabel, gelet op de draagkracht van de onderhoudsplichtige of de behoefte van het kind, ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ zou zijn. Voor wijziging geldt dezelfde maatstaf: die is slechts mogelijk als er sprake is van een zo ingrijpende verandering van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ zou zijn. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval als een ouder door de betaling van kinderalimentatie minder dan 70 procent van het netto minimumloon overhoudt voor zijn levensonderhoud. De hardheids- en wijzigingsclausule zullen dus slechts bij hoge uitzondering en alleen in zeer uitzonderlijke gevallen worden toegepast.

Het woord is nu aan de Tweede Kamer.

Door Mw. mr. Maril Gelauff is wetgevingsjurist bij de directie wetgeving, sector privaatrecht van het ministerie van Justitie.

Bron: ministerie van Justitie