Omgangsrecht

Ouderlijk gezag
Meestal gaan minderjarige kinderen na een scheiding bij een van beide ouders wonen. Dat betekent niet dat een van jullie in zijn eentje verantwoordelijk is voor de kinderen. De wet gaat ervan uit dat jij en je partner samen het ouderlijk gezag blijven voeren. Dat betekent dat jullie samen beslissen over bijvoorbeeld schoolkeuze en opvoedingskwesties. Ook moeten jullie samen zorgen dat formele zaken goed geregeld worden. Denk bijvoorbeeld aan bijzondere uitgaven of verplichtingen voor het kind, inschrijving bij de gemeente en het aanvragen van een paspoort of visum.

Eénoudergezag
Bij hoge uitzondering is het mogelijk dat je partner of jij in je eentje het ouderlijk gezag gaat voeren. Het belang van het kind staat voorop. Pas als het kind echt de dupe wordt van de situatie, wordt éénoudergezag toegekend. Bijvoorbeeld als een van jullie gaat emigreren of als jullie echt niet meer met elkaar kunnen overleggen. De rechter bepaalt dan wie van jullie het ouderlijk gezag krijgt. Meestal vraagt hij daarvoor advies aan de Raad voor de Kinderbescherming. Bovendien wil de rechter de mening weten van kinderen boven de twaalf jaar. Wanneer kinderen onder de twaalf al heel goed weten wat in hun belang is, worden ze ook gehoord.

De Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding bepaalt dat je als ouder verplicht bent de band met de andere ouder te laten ontwikkelen. Je partner heeft daarnaast altijd recht op informatie over jullie kinderen. Jij moet hem bijvoorbeeld op de hoogte houden van hoe jullie kind het op school doet en hoe het met zijn gezondheid gesteld is. Bovendien heeft je partner recht op consultatie. Jij bent verplicht zijn mening te vragen over belangrijke beslissingen rond het kind. Als jij in je eentje het gezag over de kinderen voert, mag jij uiteindelijk wel zelf de beslissingen nemen.

Recht op omgang 
Kinderen hebben recht op contact met beide ouders. Ook al woont het kind bij jou, het heeft het recht om je partner te zien. Daarnaast heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht, maar ook de verplichting tot omgang met het kind. De rechter kan op verzoek een regeling over dit omgangsrecht vaststellen. Het recht op omgang kan je ook ontzegd worden, bijvoorbeeld wanneer:
  • de omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
  • de ouder kennelijk niet in staat of ongeschikt is tot omgang;
  • het kind van twaalf jaar of ouder zelf ernstige bezwaren maakt;
  • de omgang in strijd is met andere zwaarwegende belangen.

Ben je het niet eens met het genomen besluit over de omgangsregeling? Of is je situatie veranderd en vind je dat het besluit moet worden herzien? Neem dan contact op met een juridisch adviseur.

Nauwe persoonlijke betrekking
Het wettelijk recht op omgang geldt ook voor degenen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan. Dan moet je denken aan:
  • de biologische vader die het kind niet erkend heeft;
  • bloedverwanten in de tweede graad (grootouders, ooms, tantes);
  • een pleegouder die het kind langer dan een jaar heeft verzorgd.

Hechte band
Een rechter zal wel altijd kijken of er inderdaad sprake is van een hechte band. Een familieband alleen is niet genoeg. Een biologische vader zal moeten aantonen dat hij langere tijd in gezinsverband heeft samengewoond met de moeder van het kind. Voor opa en oma geldt dat ze een belangrijke bijdrage moeten hebben geleverd aan de verzorging en de opvoeding van het kind. Regelmatige bezoekjes en logeerpartijtjes zijn niet voldoende.